Lezersbrieven die de pers niet halen!

Schokt een tekst u? Werd uw brief niet gepubliceerd? Hier kunt u hem wel aan een breed publiek laten lezen, ongecensureerd.

2006-12-27 Kerstessay. Ik denk, dus ik zeg(2)

Posted by lezersbrieven op 2006-12-27

De Standard 27/12/2006 p. 24

In het tweede deel van zijn kerstessay valt Professor Patrick Stouthuyzen (VUB) deze keer de racismewet aan. Dit kan tellen als opiniestuk. Hij vreest dat het verbod op racistische geschriften de racisten in de kaart speelt. Democraten mogen alleen nog tegengeluiden laten horen. Deze verliezen dan in België glansrijk de strijd. De media staan immers bol van antisemitisme, anti-amerikanisme en antidemocratische standpunten. Wie een tegengeluid produceert is op zijn zachtst een conservatief, meestal een racist. Om zijn visie te staven haalt de auteur de pamfletten van Mevrouw Oriana Fallaci van stal. De pas overleden old lady van de Italiaanse literatuur uitschelden voor raciste is bijzonder onkies en “not done”. Zij was een uniek tegengeluid tegen een golf van Arabische onverdraagzaamheid.
Waarom citeert de auteur niet eerder Hitlers “Mein Kampf”, dat in België vrij verkrijgbaar is? Tegen dergelijk hatelijk boek moet een verbod uitgevaardigd worden. Maar dan ben je zogezegd bezig de vrije meningsuiting te beknotten! Stouthuyzen slaat de bal volledig is, wanneer hij stelt dat de vrije meningsuiting totaal moet zijn, of helemaal niet. Dit is klinkklare onzin. De Belgische democratie heeft de plicht op te treden tegen duidelijke uitingen van onverdraagzaamheid. Ze mag niet zichzelf opheffen door het negationisme en het racisme ongestoord hun gang te laten gaan. Aan deze zonde heeft de Weimarrepubliek zich in 1920 reeds de vingers verbrand. Dat volstaat.
H.L.

—-
Origineel artikel:
http://www.standaard.be/partners/index.asp?articleID=GCR167GET
woensdag 27 december 2006
KERSTESSAY (2). Is racisme een mening of een misdrijf?

2006 was het jaar waarin de vrijheid van meningsuiting tegen haar grenzen aanbotste: de Mohammedcartoons, de uitlatingen van de paus over de islam, het negationisme van de Iraanse president Ahmadinejad, en onlangs nog dichter bij huis: de homofobieprijs voor Gerard Bofidée. Is de vrijheid van meningsuiting onbeperkt? Of moet ze in sommige gevallen toch aan banden worden gelegd. Patrick Stouthuysen probeert die vraag te beantwoorden in een vijfdelig essay. Vandaag aflevering 2: de rechten van de racist.
DIT jaar overleed de Italiaanse journaliste Oriana Fallaci. Fallaci was zo’n beetje de verpersoonlijking van de journalistieke stijl van de jaren zeventig. Het interview werd toen nog tot de gevechtssporten gerekend. Als je toen je beroep ernstig nam, ging je niet gezellig met politici een beetje keuvelen over ditjes en datjes. Een geslaagd interview was een duel waarbij geen van de partijen kwartier gaf. Dat waren nog eens tijden.

Jammer genoeg zal Fallaci wellicht vooral herinnerd worden om haar laatste boeken, waarin ze ten strijde trekt tegen wat ze de dreigende islamisering van Europa noemt. Fallaci was duidelijk de pedalen kwijt.

Asielzoekers waren zonder onderscheid aanhangers van Bin Laden, drugshandelaars, bandieten of ,,met aids besmette prostituees”. Moslims urineerden op de trappen van de kerken, Arabieren ,,maakten te veel kinderen” en ,,kweekten als ratten”. En Arabische mannen ,,hadden iets waardoor vrouwen van goede smaak zich van hen afkeren”.

Er gingen stemmen op om Fallaci’s geschriften te verbieden. Toen ze stierf, liepen tegen haar trouwens nog een reeks aanklachten wegens overtreding van de wetgeving op het racisme. En eigenlijk, laten we eerlijk zijn, was wat Fallaci schreef ook racistisch.

En toch was het om verschillende redenen geen goed idee om haar voor de rechter te slepen. Vrije meningsuiting is absoluut of bestaat niet. Ook racisten hebben het recht hun mening te verkondigen, hoe aanstootgevend of kwetsend ook.

Ik merk dat ik niet zoveel medestanders vind als ik dat standpunt verdedig. Ook wie de vrijheid van meningsuiting dierbaar is, trekt hier blijkbaar de grens. Racisme, heet het, is geen mening, maar een misdrijf. Het argument dat we onwelkome boodschappen moeten tolereren omdat de maatschappij daar op termijn mogelijk beter van wordt, gaat in dit geval niet op, zegt men.

We hebben het hier immers niet over nieuwlichters die vooroplopen op hun tijd. Racisme drijft de spanningen in de samenleving nodeloos op de spits en zet bevolkingsgroepen tegen elkaar op. Als blanke man van middelbare leeftijd heb ik bovendien gemakkelijk praten: mijn soort mensen vormt zelden het onderwerp van discriminatie of uitsluiting. En toch volhard ik in boosheid.

Verbieden bevestigt, vrees ik, racisten alleen maar in hun gelijk. Door voor de juridische weg te kiezen gaan we het substantiële debat – waarom is racisme verkeerd? – uit de weg. Dat geeft voeding aan de idee dat er in feite ook geen goede argumenten zijn. Het argument ,,het mag niet omdat de wet het verbiedt”, is in meningsdelicten weinig overtuigend.

Het geeft bovendien stof aan de gedachte dat er misschien andere redenen zijn waarom je bepaalde dingen niet meer mag zeggen. Dat politiek en gerecht bijvoorbeeld in handen zijn van volksvreemde elementen, van salonlinksen, die zelf in dure wijken wonen en niets van de echte problemen willen weten.

Ik denk dat er meer te winnen valt door uit te leggen waarom in racistische termen spreken over medeburgers niet goed is en, vooral, door te verduidelijken welke fouten racisten maken. Maar daarvoor moet je natuurlijk wel met ze in debat gaan.

Een vrij debat zal antiracisten beter inzicht geven in wat anderen denken. Waarom vindt een auteur als Fallaci zoveel bijval, wat herkennen lezers in haar boek, welke vrees verwoordt ze, waarom delen die lezers haar verontwaardiging? Wie mensen wil overtuigen zal eerst moeten begrijpen wat ze bezighoudt.

Sommigen pleiten voor een verbod op racistische meningen uit respect voor de beledigde groepen en om de vrede in de multiculturele samenleving te bewaren. De verhoudingen tussen bevolkingsgroepen worden echter niet beter als sommige dingen voortaan alleen nog op fluistertoon mogen worden gezegd.

Zo zal je racisten niet van de ongefundeerdheid van hun meningen overtuigen. En slachtoffers van racisme worden evenmin gerustgesteld. Ze zullen nooit zeker weten of hun medeburgers zich van racistische meningen onthouden omdat er straffen op staan of omdat ze hun overtuigingen hebben bijgesteld.

Eigenlijk lijkt zo’n verbod zich vooral te richten op de twijfelaars en wankelmoedigen, die we tegen de sirenenzang van de racisten in bescherming willen nemen. Dat getuigt echter van opmerkelijk weinig geloof in de kracht van de eigen argumenten en in de redelijkheid van de medeburgers. Een merkwaardige houding voor wie de democratie en de multiculturele samenleving wil verdedigen.

De vraag is nog maar of de wet een geschikt instrument vormt om de mentaliteit te veranderen. Je kunt moeilijk beweren dat er, sinds de totstandkoming van de racismewet, veel is veranderd. Jongere generaties zijn er sindsdien niet minder racistisch op geworden, in internationaal vergelijkend onderzoek scoort Vlaanderen niet beter. Daar kan zo’n wet effectief niets aan veranderen.

En toch is er, als je het over een langere termijn bekijkt, heel wat veranderd. Het volstaat naar oude documentaires te kijken, of romans of kranten te lezen uit, bijvoorbeeld, de jaren vijftig. We zijn veel gevoeliger geworden voor kwetsend taalgebruik, voor stereotypering. Als mijn studenten het woord ,,neger” lezen, fronsen ze hun wenkbrauwen. Ze hebben het nooit over ,,joden” maar over ,,joodse mensen”. Ze zijn zich veel meer bewust van hoe ze over anderen praten.

Dat komt niet door de wet, maar door de ideeënstrijd, gevoerd door vorige generaties. Net daarom zijn, vreemd genoeg, antiracisten gebaat bij het toelaten van racistische meningen. Als er geen antiracismewet bestaat is er een grote taak en verantwoordelijkheid weggelegd voor antiracistische organisaties.

Dan wordt het opnieuw belangrijk om te mobiliseren, campagne te voeren en goede argumenten te bedenken. Dat leidt wellicht tot een scherper debat. Maar dat is beter voor de democratie dan meningen te verbieden en zo vrij spel te geven aan ressentimenten en complotdenkers.

Gilles Keppel, auteur van een reeks boeken over het fundamentalisme, besprak in Le Monde Fallaci’s geschriften. Fallaci kwam, meende hij, de verdienste toe dat ze de islamkenners had wakker geschud. Die verwachtten niet dat dit soort stereotypen en gemeenplaatsen nog zo’n gretige afzet zou vinden. Ze beseften nu dat ze zich voortaan ook in het maatschappelijke debat moesten mengen en tegengeluiden laten horen. Dat lijkt me effectief de enige gepaste reactie.

Patrick Stouthuysen
(De auteur is politicoloog aan de Vrije Universiteit Brussel.)

Advertenties

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s